Menu

Het gebruik van veen in potgrondmengsels

Natuurlijk veen is het belangrijkste ingrediënt van een goede professionele potgrond.
Ondanks de grote inspanningen van wetenschappelijk en praktijkgericht onderzoek, slaagt men er voorlopig niet in om veen volledig te vervangen door alternatieve grondstoffen in de professionele potgrondmengsels zonder kwaliteits- of productieverlies.
Er is geen enkele hernieuwbare grondstof die de goede eigenschappen van veen kan benaderen.
De potgrond die voor de productie van tuinbouwgewassen ingezet wordt, blijft tot nader order dan ook grotendeels uit veen bestaan.
Wat bezorgt veen nu deze sterke positie?


Eerst en vooral is er de sterke bufferende werking bij veen. Deze buffer speelt zowel op fysisch als op chemisch vlak.
Veen kan bijvoorbeeld veel water absorberen en in periodes van behoefte aan de plant afstaan. Verder is er het absorptiecomplex dat ervoor zorgt dat de zuurtegraad zeer stabiel blijft. Toegevoegde meststof komt zo ook niet meteen in de bodemoplossing, maar wordt tijdelijk opgeslagen en vrijgesteld uit dit absoptiecomplex in functie van de behoefte van de plant.
Veen is in tegenstelling tot vele hernieuwbare grondstoffen zeer arm aan zouten. Dit betekent dat aan de potgrond meteen de juiste hoeveelheid en de juiste samenstelling aan voedingselementen kan toegediend worden welke optimaal zijn voor de te telen plant.
Een ander belangrijk voordeel is dat veen in grote hoeveelheden beschikbaar is en dus een ruime keuze mogelijk maakt. Hierdoor is het voor de potgrondproducent vrij eenvoudig om steeds dezelfde kwaliteit van veen te betrekken.
Waardoor onderscheiden de diverse veensoorten zich van elkaar?
In grote lijnen kan gesteld worden dat het veen uit 2 verschillende klimaattypes kan betrokken worden, dat er 2 belangrijke oogstmethoden zijn en dat er 2 types veen zijn.
De 2 grote klimaattypes die de kwaliteit van het veen bepalen zijn het koude polaire klimaat en het gematigd zeeklimaat.
De ontginningsgebieden zijn noordelijk gelegen (Baltische Staten, Scandinavië maar ook Rusland en Canada) voor het polaire type en bevinden zich in de meer gematigde klimaatzone (Duitsland, Ierland, Polen) voor het gematigde type.
Deze ligging heeft een belangrijke invloed op de kwaliteit van het veen.
Veen uit het Noorden groeit in de korte zomerperiode (3-4 maand maar met bijna 24 uur op 24 uur daglicht) snel aan; het klimaat slaat ook snel om en de zeer lage temperaturen na deze korte groeiperiode zorgen ervoor dat het veen bijna niet kan afbreken. Het veen uit het Noorden is dan ook minder verteerd (bleker, met meer fijne structuren). Dit veen kan veel water vasthouden maar is ook minder stabiel en gaat sneller verteren in de teelt.
Veen uit de gematigde streken is ontstaan uit meer grove Sphagnumsoorten en groeit bijna het jaarrond; ook de afbraak van dit veen verloopt over dezelfde periode; alleen in
geval van vorst stopt de groei en de afbraak. Veen uit de gematigde gebieden is dan ook verder verteerd (donkerder, meer korrelig van structuur). Dit type veen kan minder water vasthouden, maar is wel luchtiger en ook stabieler waardoor het trager verteert in de teelt.
De 2 belangrijke oogstmethoden zijn de verticale en de horizontale winning.
Bij de horizontale winning wordt het veen losgefreesd. Het veen verfijnt hierdoor sterk. Bovendien wordt het veen vele malen verplaatst (drogen, verzamelen, stockage, transport) waardoor de stoffractie nog verder toeneemt. Anderzijds is het winnen van dergelijke freesturf relatief goedkoop. Door de hoge fractie aan fijne deeltjes kan dit veen veel water vasthouden maar zal steeds weinig lucht bevatten.
Bij de verticale winning wordt het veen in de vorm van blokken uit het veenpakket gegraven. Deze zoden worden in rijen gestapeld en drogen gedurende de zomer in de wind. Het veen bewaart hier zijn structuur zoals het in de veenlaag aanwezig was. Gezien de belangrijke hoeveelheid handenarbeid zijn de zoden relatief duur. Bij het breken van de zoden bekomt men voornamelijk brokjes en zeer weinig fijn materiaal. Fracties uit zoden bevatten dan ook veel lucht maar kunnen weinig water vasthouden.
De 2 te onderscheiden types zijn witveen en zwartveen.
Witveen zit bovenaan het veenpakket en is dus het jongste veen. Dit jonge veen is licht van kleur en gewicht. Het kan veel water vasthouden, is relatief luchtig maar kan ook snel verteren.
Zwartveen zit onderaan in het veenpakket en is dus oud veen. Het zwartveen is donker van kleur en weegt meer. Doorvriezen verbetert de structuur aanzienlijk. Door de fijne structuur kan dit veen ook veel water vasthouden, maar bevat relatief weinig lucht. Zwartveen is stabiel omdat het reeds ver verteerd is.
Bron : dit artikel kwam tot stand dank zij de medewerking van RP van Peltracom n.v.

BPF vzw - FBT asbl

Belgische Potgrond Federatievzw

Federation Belge du Terreauasbl

Geelsebaan 75

2460 Kasterlee



+32 (0)473 84 63 37

BPF - FBT

Log In or Register